Wie door Winterswijk loopt, ziet geen dorp meer dat om de fabriekssirene heen leeft. Toch is de textiel er nog altijd, al moet je soms beter kijken. In oude fabriekspanden met een andere bestemming. In familienamen die steeds terugkomen. En in verhalen over werk, wonen en ondernemen die nog altijd bij Winterswijk horen.
Lang was Winterswijk een textieldorp van betekenis in de Achterhoek. De fabrieken leverden werk aan veel inwoners en bepaalden mee hoe het dorp groeide. Dat ging niet alleen over productiehallen en machines, maar ook over woningen, spoorverbindingen en het dagelijks leven van gezinnen die van de textiel afhankelijk waren.
Van huisnijverheid naar fabriek
De wortels van de textiel in Winterswijk liggen ver terug. Al voor de komst van grote fabrieken werd er thuis geweven. Boerengezinnen verwerkten vlas en maakten linnen voor eigen gebruik of voor de handel. Dat was kleinschalig werk, dicht bij huis en ingebed in het boerenbestaan.
In de 19e eeuw veranderde dat beeld ingrijpend. De stoommachine deed zijn intrede en daarmee begon de overgang van huisnijverheid naar fabriek. Winterswijk groeide uit tot een plaats waar textielproductie op grotere schaal mogelijk werd. Dat trok ondernemers aan en zorgde voor nieuwe werkgelegenheid.
Vooral in de eerste helft van de 20e eeuw was textiel de drager van de lokale economie. In de jaren 20 draaiden de fabrieken op volle kracht. Ook na de Tweede Wereldoorlog leefde de sector nog op. Vanaf de jaren 60 kwam de klad erin. Goedkopere productie in het buitenland, fusies en schaalvergroting zetten de bedrijven onder druk. Wat bleef, was een dorp dat in belangrijke mate door textiel was gevormd.
De familie Willink en de opbouw van textiel in Winterswijk
Als het over de textielgeschiedenis van Winterswijk gaat, komt de naam Willink vanzelf naar voren. De familie was al vroeg verbonden aan de weverij en groeide later uit tot een ondernemersfamilie met grote invloed in het dorp. Hun naam is verbonden aan meerdere fabrieken en aan een periode waarin Winterswijk sterk industrialiseerde.
Opvallend is hoe dicht die ondernemers bij het dorp stonden. Dat zie je terug in de bijnamen die bleven hangen. Jan Willink werd “Spoor-Jan” genoemd. Gerrit Jan Willink stond bekend als “Tricot-Jan”. Zulke namen ontstaan niet als fabriekseigenaren op afstand blijven. Ze laten zien hoe verweven bedrijf en dorpsleven waren.
Er waren ook verbindingen buiten Winterswijk. Zo trouwde Abraham Willink met Christina ten Cate uit een Twentse textielfamilie. Dat past bij de manier waarop textielondernemers in Oost-Nederland elkaar wisten te vinden. De basis van het verhaal bleef wel in Winterswijk liggen.
De Witstoom, d’n Zwartstoom en De Breistoom
Wie de textielfabrieken in Winterswijk wil begrijpen, komt al snel uit bij drie bekende namen uit de kring rond de familie Willink.
H. Willink & Co, in de volksmond De Witstoom, begon in 1861 met Hendrik en Herman Willink. Het was een stoomweverij en hoorde bij de vroege industriële ontwikkeling van het dorp. In 1964 fuseerde het bedrijf met Blijdenstein.
Een andere bekende naam is J. Willink en Paschen, later N.V. De Batavier. In Winterswijk sprak men ook van d’n Zwartstoom. Jan Willink begon in 1866 en werkte vanaf 1869 samen met Willem Paschen. De fabriek hield zich bezig met bontweverij en ververij. In 1913 stonden er ongeveer 700 weefgetouwen. Dat zegt veel over de schaal waarop hier werd gewerkt. In 1980 ging het bedrijf failliet. Daarna volgde een doorstart onder de naam Gaudium.
Dan was er de Tricotfabriek G.J. Willink, beter bekend als De Tricot of De Breistoom. Gerrit Jan Willink begon in 1888. Twee jaar later kwam de productie op gang. Eerst maakte de fabriek ondergoed, later ook andere kleding. De Breistoom groeide uit tot een grote werkgever van Winterswijk. In de jaren 20 werkten er meer dan 1.500 mensen. In 1929 waren dat er nog ruim 1.100. Tussen 1890 en 1954 vroeg het bedrijf 75 bouwvergunningen aan. Dat laat zien hoe vaak er werd uitgebreid. In 1975 fuseerde de fabriek met Hollandia uit Veenendaal. Drie jaar later sloot het bedrijf. In 1989 brak brand uit. Op die plek staat nu een appartementencomplex.
Deze drie fabrieken laten goed zien hoe breed de textiel in Winterswijk was. Er werd geweven, geverfd en gebreid. De familie Willink speelde daarin een hoofdrol.
Meer namen dan alleen Willink
De textielgeschiedenis van Winterswijk draait niet alleen om één familie. Ook andere ondernemers en fabrieken gaven het dorp gezicht.
J.H. Meijerink & Zonen begon in 1891. Het bedrijf werd later bekend als N.V. Stoomweverij. Er werden verschillende textielproducten gemaakt, waaronder corduroy. In 1958 werkten er 550 mensen. Vijf jaar later waren dat er 700. In 1961 ging het bedrijf op in Koninklijke Textielfabrieken Nijverdal-Ten Cate N.V. Ook hier bleef een bijnaam hangen: Gerrit Hermanus Meijerink stond bekend als “Lange Meijerink”.
Een andere naam is Firma M.M. Poppers, opgericht in 1878 door Mozes Meijer Poppers en zijn broers. De familie Poppers hoorde bij de ondernemers die in Winterswijk hun plaats opeisten binnen de textiel. Zij dreven een weverij en blekerij en waren later ook actief in kleding. De namen Mozes Meijer Poppers, Jacob Meijer Poppers en Efraim Meijer Poppers horen bij dat verhaal.
De Tuunte kwam later. Deze weverij werd in 1919 opgericht door Huijskes uit Groenlo. Het bedrijf leverde huishoudtextiel aan ketens als HEMA, V&D en SORBO. De weverij sloot in 2000. Het magazijn van Tuunte-Fashion bestaat nog.
Ook De Hazewind hoort bij de textielgeschiedenis van Winterswijk. Het bedrijf ontstond aan het eind van de 19e eeuw en werkte in de confectie. Later maakte De Hazewind naam met ski- en surfkleding, zoals Greyhound, het Cocker-ski-jack en jassen van Gore-Tex. Daarmee liet het bedrijf zien dat Winterswijkse textiel niet alleen in traditionele stoffen zat, maar ook meebewoog met nieuwe markten.
Hoe textiel het dorp veranderde
De invloed van de textiel reikte verder dan de fabriekspoort. De bedrijven zorgden voor werk, maar ook voor groei van het dorp. Winterswijk kreeg een ander ritme. Meer mensen vonden er een bestaan buiten de landbouw. Er kwamen nieuwe woonwijken en voorzieningen. Ondernemers uit de textielwereld speelden ook een rol in maatschappelijke initiatieven.
Dat zie je ook terug in de naam van Jan Willink, “Spoor-Jan”. Die bijnaam verwijst naar zijn betrokkenheid bij de spoorverbinding van Winterswijk. Voor een textieldorp was dat van groot belang. Goederen moesten worden aan- en afgevoerd, werknemers moesten zich kunnen verplaatsen en het dorp werd sterker verbonden met de regio.
De textielfamilies waren dus niet alleen werkgevers. Ze drukten ook hun stempel op de ontwikkeling van Winterswijk als plaats. Dat maakte hun invloed zichtbaar in het straatbeeld en in het leven van veel inwoners.
Fusies, sluitingen en een ander Winterswijk
Zoals op meer industriële plekken veranderde ook in Winterswijk het bedrijfsleven ingrijpend in de tweede helft van de 20e eeuw. Bedrijven fuseerden, werden groter of verdwenen. De vertrouwde namen bleven soms nog even bestaan, maar de sector verloor langzaam zijn oude positie.
Een voorbeeld is Blijdenstein-Willink, later BW Industrial. Die naam ontstond na de fusie in 1964. Op 16 april 2009 werd het bedrijf failliet verklaard. Zulke momenten markeren niet alleen het einde van een onderneming. Ze laten ook zien hoe een dorp afscheid moest nemen van een economische basis die lang vanzelfsprekend leek.
Toch verdween de textiel niet volledig uit beeld. De Batavier kreeg na het faillissement een doorstart als Gaudium. Op de plek van De Breistoom kwam woningbouw. Het magazijn van Tuunte-Fashion staat er nog. Zo bleef de industrie in een andere vorm aanwezig in Winterswijk.
Wat er nu nog te zien is
Wie vandaag door Winterswijk loopt, ziet geen compleet textiellandschap meer zoals een eeuw geleden. Maar sporen zijn er genoeg. Oude fabriekslocaties, gebouwen met een nieuwe functie en namen die nog altijd iets oproepen bij inwoners. Voor wie de geschiedenis kent, krijgt het dorp daardoor extra lagen.
Dat maakt de geschiedenis van de textielfamilies van Winterswijk nog altijd relevant. Niet als afgesloten hoofdstuk, maar als verklaring voor hoe het dorp is geworden wat het nu is. De textiel gaf Winterswijk werk, groei en een eigen plaats binnen de Achterhoek. Dat verleden ligt niet achter glas in een vitrine. Het zit nog in de straten zelf.
Veelgestelde vragen
Welke familie speelde een grote rol in de textiel in Winterswijk?
De familie Willink was jarenlang een van de bepalende ondernemersfamilies van het dorp. Hun fabrieken boden werk aan veel inwoners.
Welke fabrieken van de familie Willink waren bekend?
Dat waren onder meer De Witstoom, d’n Zwartstoom en De Breistoom. Die namen leven in Winterswijk nog altijd voort.
Wat maakte De Breistoom in Winterswijk?
De Breistoom begon met ondergoed en breidde later uit naar andere kleding. Het was een tricotfabriek.
Welke andere textielfabrieken waren belangrijk in Winterswijk?
Naast de bedrijven van de familie Willink speelden ook J.H. Meijerink & Zonen, Firma M.M. Poppers, De Tuunte en De Hazewind een rol.
Wanneer begon de neergang van de textiel in Winterswijk?
De terugval zette vanaf de jaren 60 door. Buitenlandse concurrentie en schaalvergroting speelden daarbij mee.
Is er in Winterswijk nog iets terug te zien van de textielindustrie?
Ja. Er zijn nog oude fabrieksterreinen, herbestemde gebouwen en locaties die in het dorp nog altijd met de textiel worden verbonden.

Geef een reactie